Felix Vieregge

1975-1981

Na het vertrek van Simon Kleinlooh ging het orkest eerst in zee met Louis Dispa, een “tussenpaus” zoals weldra zou blijken. Zijn benoeming was een van de laatste belangrijke bestuurlijke daden van Hans van Swaay. Dispa was een beroepsmusicus, van huis uit violist. Fluitiste Corrie Wijffels herinnert zich zijn kwaliteiten: “hij hoorde alles”. Dat hij zelf strijker was, kon als een belangrijk pluspunt worden gezien; dat had hij vóór op zowel zijn voorganger als zijn opvolger. De verwachtingen waren aanvankelijk ook hooggespannen. Maar zijn karakter paste niet bij dit orkest. Ontspanning en speelvreugde namen bepaald niet toe. Zijn eerste concert in de Stevenskerk ging nogal. Tijdens de generale repetitie voor het volgende openbaarden zich zijn irritaties: “waar blijven de virtuozen?” riep hij wanhopig. Tijdens het concert zelf ontstond grote hilariteit in de zaal toen de dirigent wel erg lang weg bleef, waarschijnlijk op zoek naar zijn partituur. Dit was zijn laatste optreden. Het publiek was zo weinig talrijk dat Dispa het voor gezien hield. Gelukkig voor het kamerorkest stonden enkele begeleidingen geprogrammeerd, zoals van het Bachkoor in Haydns Die Schöpfung en konden koordirigenten de honneurs waarnemen.
Toen kwam clarinettist Wil Roozeman met een mogelijke opvolger: Felix Vieregge. Daarmee begon voor het orkest de jaren zeventig als een tijd van “gelegitimeerde vrolijkheid”. De sfeer van spanning en gedwongenheid werd door een frisse wind weggeblazen. Het NKO was nooit een erg joyeus gezelschap geweest; dat ging nu snel veranderen.
Felix Vieregge (zijn officiële voornaam was Wilhelm, maar niemand noemde hem zo) was sinds 1972 in Nijmegen hoogleraar in de fonetiek. Tijdens zijn studie aan de universiteit van Bonn had hij ook musicologie gestudeerd, maar daarvoor had hij al een hele muziekopleiding achter de rug. Die begon op dertienjarige leeftijd toen hij op medisch advies piano ging spelen als revalidatie na een slecht genezen armfractuur. Dirigeren deed hij al in zijn gymnasiumtijd in Hamm (BRD). Daarop volgde een studie aan het Robert Schumann- conservatorium in Düsseldorf (piano, theorie en directie). Toen Vieregge zich later bij zijn vertrek als dirigent een amateur-musicus noemde, was hij tamelijk bescheiden.
Welnu, Vieregge was een kennis van Wil Roozeman en vertelde hem terloops onder een borrel, het moet in het vroege voorjaar van 1975 zijn geweest, dat hij in Duitsland wel eens voor een studentenorkest had gestaan. Dispa was al enkele maanden buiten beeld en Wil Roozeman bracht Vieregge onmiddellijk in contact met de verse voorzitter, Jozef Lafleur. Nu ging het erg snel. De eerstvolgende maandagavond leidde Felix zijn eerste orkestrepetitie met het NKO en het klikte meteen. Achteraf herinnert hij zich het NKO, wellicht enigszins overdreven, als ronduit slecht (“niets ten nadele van Kleinlooh overigens”), althans in bepaalde opzichten. De strijkers waren onzuiver en de nieuwe dirigent vond het nodig om per groep toonladders te spelen. Te veel oude leden speelden louter op routine. Vers bloed was nodig, de jeugd moest oprukken. En het werd anders, ongedwongen vooral. De dirigent, innemend en extrovert, werd getutoyeerd; de leden deden dat onderling ook steeds meer. Een voornaam was tot dan toe een artistiek voorvoegsel voor een programmaboekje; in de wandel was het ‘mevrouw’ en ‘meneer’. In de pauze werd nu een glas gedronken. Er kwam grotere vrijheid in de keuze van concertkleding. Zo herinnert Van Swaay zich Felix’ eerste optreden waarbij hij verscheen in een donkergroen fluweel kostuum. Als musicus was hij ludiek: men speelt immers muziek. Kenmerkend voor de sfeer die Vieregge voor ogen stond waren de toelatingseisen bij het voorspelen. Voor hem was enthousiasme het eerste criterium. Deze aanpak werkte. “De orkestleden ervoeren het als bijzonder plezierig”, zo lezen we in een aankondiging van Vieregge’s eerste concert, “dat de dirigent een aangename werksfeer wist te scheppen”. Dat concert was, het aanvangsniveau in aanmerking genomen, een van de hoogtepunten uit Vieregge’s dirigentenbestaan. De Nijmeegse musicoloog Alphons Asselbergs speelde Mozarts pianoconcert KV 482. Deze was daar volgens Van Swaay zelf zo door ontroerd dat hij er tranen bij moest wegslikken. Verder werd Beethovens 2e symfonie ten gehore gebracht en o.a. Bachs 3e orkestsuite met Theo van de Laar als eerste trompettist. Dat dit concert het 25-jarig bestaan van het NKO markeerde, kan Vieregge zich niet herinneren. Het ronde getal van een lustrum sprak in ieder geval nog niet tot de verbeelding.
Een van de nieuwe initiatieven die in de periode Vieregge werden ondernomen om het niveau van het orkest te verhogen waren de repetitieweekenden. Het eerste weekend vond plaats in de “Hooghe Hoenderberg”. Een andere gelegenheid was “De kleine Musschenberg” in Beek. Daar werd flink gerepeteerd. Zowel de ochtenden als de middagen begonnen met een groepsrepetitie o.l.v. de aanvoerder (externe repetitoren zouden van latere tijd zijn). Dan volgde telkens een plenaire repetitie. Er werd ook wel overnacht en de leden van toen herinneren zich goed de verhalen die dan werden verteld, m.n. over de manier waarop ieder tot de keuze van zijn instrument was gekomen. Behelpen was het tijdens deze weekenden soms wel. In “De Musschenberg” ontbrak ooit een piano toen het orkest Beethovens 1e pianoconcert studeerde. Felix voelde zich toen genoodzaakt om de gehele solopartij te zingen en het werkte nog ook!
Nieuw in deze tijd waren ook de feesten waarmee het seizoen werd afgesloten, de slotavonden. Dat gebeurde ten huize van ruim behuisde leden. Er was gelegenheid om kamermuziek te spelen maar ook een gezamenlijk optreden kon de climax van de avond zijn. Hans van Swaay zelf beet de spits af; vele anderen voelden zich overigens geremd om dit voorbeeld te volgen. Natuurlijk deed men zich wel te goed aan “zoop en koek”. Het archief dat uit deze tijd bewaard is gebleven bevat een aardige hoeveelheid drankrekeningen. Het orkest maakte, zowel schriftelijke als mondelinge bronnen laten daarover geen twijfel bestaan, een vrolijke en vitale periode door. Het werd geleid door een echt team, namelijk door een dirigent en sinds 1976 door een voorzitter, Jan Linssen, die elkaar uitstekend verstonden. Opmerkelijk genoeg waren de contacten met de hoornist Linssen ook via Wil Roozeman tot stand gekomen. Ook een toevallige ontmoeting met een terloopse toespeling op liefde voor de muziek. In 1976 kwam Fons Plasschaert, vertegenwoordiger van een nieuwe generatie, in het orkest en werd meteen de nieuwe concertmeester; hij zou dat, met een korte onderbreking van drie jaar, tot nu toe blijven. Zijn voorganger Hans van Swaay deed een stapje terug. Twee jaar later verdween deze van het toneel. Niet zo maar; hij zeilde de wereld rond om zich in Nieuw-Zeeland en uiteindelijk in Oostenrijk te vestigen.

De periode Vieregge/Linssen kende muzikaal gezien enkele hoogtepunten. Daartoe hoorde zeker het concert gegeven ter herdenking van de vrede van Nijmegen in 1978. In de St. Stevenskerk werd toen het Te Deum van Charpentier uitgevoerd, voor iedereen “onbewust” bekend omdat eurovisieuitzendingen er nog altijd hun tune aan ontlenen. Verder was er enkele jaren later het concert met de piepjonge pianosolisten Asberg/Roozeman in het dubbelconcert van Mozart. Maar de climax van de periode was ongetwijfeld de concertreis naar Rome in 1980. Helaas wordt door dit evenement duidelijk waarom de samenwerking tussen dirigent en orkest op korte termijn steeds moeilijker zou worden. Maar laten we niet te snel op de problemen vooruit lopen.
De geschiedenis van het NKO wordt in het tweede kwart van zijn bestaan gekleurd door succesvolle buitenlandse reizen. We zullen daar uitvoerig op terug moeten komen. Vieregge had contacten uit zijn Duitse jeugdjaren. Dat resulteerde in 1976 al in een reis naar Hamm om samen met zijn vroegere gymnasiumorkest te concerteren. Nu, in 1980, ging het om een veel groter project. De reis naar Rome werd ondernomen met het koor van de Städtische Singgemeinde Kleve en vond plaats in het duizendste geboortejaar van Keizer Otto III, die tussen Nijmegen en Kleef was geboren. Vandaar dus! Op uitnodiging van het kapittel van de Sint Pieter voerden koor en orkest op 22 juni Beethovens mis in C-dur uit. Op de avond van dezelfde dag speelden koor en orkest het Christus-oratorium van Franz Liszt, nu niet in de Sint Pieter maar in de Sint Ignatius.
Het initiatief voor deze reis kwam van Duitse zijde. Het koor had een begeleidend orkest nodig. De buitengewoon ambitieuze dirigent Herbert Krey (“soms werd je daar niet goed van” stelt Felix achteraf) stond achter de keuze van deze twee grootse werken. Hij zou ze ook dirigeren. Vieregge vond dit alles nogal pretentieus, vooral Liszts oratorium. Dit kolossale werk, geschreven in diens Romeinse tijd tussen 1862 en 1867, duurt drie uur en vergde een professionele instelling van het orkest en zeker ook professionele ondersteuning in de vorm van conservatoriumstudenten. Krey probeerde Vieregge te overtuigen van de haalbaarheid van het project. Samen waren ze uren bezig om de partituur van ca. 400 pagina’s op moeilijkheidsgraad te beoordelen. Felix bleef aarzelen, maar Jan Linssen was enthousiast. En zo ging de kogel door de kerk. Het werd vreselijk hard repeteren. Krey nam enkele repetities in Nijmegen over en viel bij het orkest in de smaak vanwege zijn groot vakmanschap. Ongetwijfeld heeft dit project de ambities van onze amateurmusici naar een hoger plan getild. In Rome speelde het NKO in de Aula Magna della Cancellaria o.l.v. zijn eigen dirigent ook nog een eigen barok-programma, met werken van Händel (Watermusic) en Purcell (Comus Suite). Voor Vieregge zelf was dit een muzikaal hoogtepunt van de eerste orde.
De organisatie die het musiceren van een flink amateurorkest vergt, blijft meestal onderbelicht. De concerten zijn in dit opzicht een topje van de ijsberg. Een organisatie van de reis naar Rome was al helemaal een gigantische klus die wel in verhouding stond met de omvang van de gespeelde werken. Aanvankelijk overheerste een gemoedelijke onbezorgdheid. Men dacht simpel de trein te nemen, met het instrument in de hand. Dat gebeurde ook. Maar het vervoer is natuurlijk toch een complex probleem. Grote instrumenten, zoals pauken, contrabassen en zelfs een orgeltje, moesten apart vervoerd worden. Dat was geen handbagage, maar ook geen handel. Dit vervoer ging per bus en dat vergde een enorme administratie op het gebied van in- en uitvoer van gebruikte muziekinstrumenten, per grens opnieuw. We kunnen ons dat nauwelijks meer voorstellen: een harp waarvoor onderweg driemaal in- en uitvoerrechten moesten worden geregeld! Theo van de Laar had het er wel zo druk mee dat hij speciaal voor deze organisatie een tweede telefoonlijn liet aanleggen. Toen het orkest later meer ervaring had met het buitenland ging dit soort dingen wat gemakkelijker.
De Rome-reis was onvergetelijk. Zes dagen feest, ook al had het reisbureau er weinig van terechtgebracht. De verhalen die nu nog opborrelen bij de herinnering aan dit evenement zijn teveel om op te noemen. Officieel was het een pelgrimstocht; dat was het goedkoopst. Maar het onderkomen bij Spaanse nonnen was navenant. Om tien uur ‘s avonds ging de poort dicht. Veel verhalen hebben bijgevolg betrekking op uitbraak- en vooral inbraakpogingen. Aan elkaar geknoopte lakens ontbraken daarbij niet. Niet ieder was even behendig. Een van de bassisten heeft een gehele nacht op de stoep voor het klooster doorgebracht. De nonnen noemden het verblijf een “catastrofe”. Men stelle zich voor: een bidet, gebruikt om flesjes bier te koelen! Maar er werd ook stevig gerepeteerd. De belangstelling voor de concerten was groot. Liszt werd opgenomen door de RAI. De kerk zat stampvol en er was een daverend applaus, al vóór het laatste acoord had geklonken. Toch ging er ook wel wat mis. Felix herinnert zich zijn optreden als slagwerker pijnlijk precies: hij liet zijn bekken dwars door een generale pauze schallen. Sindsdien heette hij Felix GP. Hij herinnert zich ook hoe het orkest door een Romeinse zwerver met het 30-jarig bestaan werd gefeliciteerd, met een en-passant gestolen bloembak. Afgezien hiervan was er ook toen van een lustrumviering geen sprake. Wel werd de 80-jarige Alie Berntsen op de Piazza Navona benoemd tot erelid.
In de Stevenskerk werden op 29 november 1980 de eerste tweede delen van Liszt herhaald, nu onder directie van Vieregge. Er ging minder mis dan in Rome, herinnert Felix zich opgelucht. “De kwaliteit van het NKO wekt verbazing”, schreef De Gelderlander, maar niet alleen in positieve zin. Naast schitterende passages werd het Stabat Mater een jammerlijk dieptepunt genoemd.
Een hoogtepunt van andere aard was de slotavond van het jaar 1981. Het orkest had tijdens een koffieconcert Het Beestenkwartet van Jurriaan Andriessen uitgevoerd, geïnspireerd door tekeningen van Peter Vos (de schijtlijster, de klavierleeuw, de mafkikker enz.). Tijdens het feest werden in een alternatieve versie acht dieren (dooie mus, ouwe bok, dolle stier etc.) improvisatorisch ten tonele gevoerd. Daarbij bleek dat in het orkest nog heel andere kwaliteiten huisden dan uitsluitend muzikale. Ted Wijgers, een van de aanjagers als het om feesten ging, heeft daar zeer levendige herinneringen aan: het was schitterend theater, inventief en geestig. Dit kenmerkte bij uitstek de periode Vieregge.

In hetzelfde jaar gingen dirigent en orkest uit elkaar. Vieregge was een enthousiast, maar ook hartstochtelijk dirigent. Dit betekende nogal wat verbaal geweld als het niet goed ging in het orkest; Duitse krachttermen dus. “Temperamentvol (on)gedrag”, noemde Felix dat zelf in een verontschuldigende brief aan het bestuur. Niet iedereen was daar even goed tegen bestand. Toch lag hier niet het grootste probleem. In de grond waren de programmakeuze en vooral de ambities van het orkest zelf oorzaak van de verwijdering. Vieregge had een grote voorliefde voor de barokmuziek, niet in het minst ook vanwege de speelbaarheid ervan voor een amateurorkest. In kerken wilde hij ook echt kerkmuziek spelen en zeker geen profane muziek, geen Maurerische Trauermusik bijvoorbeeld. Hij wilde met Kerstmis ook echte kerstmuziek spelen, zoals het kwartet concerten van Torelli, Manfredini, Corelli en Locatelli. Het bestuur wilde een breder repertoire waaronder jaarlijks een moderne Nederlandse compositie. Vieregge deed dat wel, maar niet altijd van harte. Voormolens suite ‘Baron Hop’ (met zo’n aardig Nederlands volkswijsje; pardon Felix, dit is het Wilhelmus!) vond hij eigenlijk rommel. Zelfs Andriessens Kuhnau-variaties konden hem nauwelijks bekoren. Naarmate het orkest groter werd en naarmate er meer blazers deel van uitmaakten, werd de roep om romantisch en modern repertoire steeds luider. Natuurlijk wilde het bestuur zoveel mogelijk orkestleden laten spelen. De blazers betaalden al minder contributie omdat ze nu eenmaal minder noten hadden. Begrijpelijk wilden zij méér. Veel amateurorkesten worden op een bepaald moment met dit dilemma geconfronteerd. Maar het moderner repertoire stelt veel grotere technische eisen aan de musici. Vieregge had Liszt al te moeilijk gevonden. De ervaringen met Krey in Rome had de orkestleden in een eufore stemming gebracht. Daarom waarschuwde Vieregge voor te grote pretenties. “We moeten nu niet gaan denken dat we alles kunnen spelen”, vond hij. In het bestuur was Jan Linssen nog wel een voorstander van kleinschaligheid; hij vreesde veel stukken te moeten spelen met een “geamputeerd orkest”. Theo van de Laar wilde wel degelijk verder op de ingeslagen weg en het programma aanpassen bij de uitgebreidere bezetting. Daar lag werkelijk de grootste uitdaging. Toen al werd het concept van een kamerorkest eigenlijk verlaten om plaats te maken voor de gedachte aan een echt symfonieorkest. Gezien de nieuwe programmakeuze werden aan de dirigent veel hogere eisen gesteld. Hij zou veel meer voorbereidingstijd moeten investeren, “wel twee dagen in de week”, stelt Vieregge achteraf. Natuurlijk was dat niet op te brengen. Wat het bestuur wilde was door een amateurdirigent met een drukke universitaire aanstelling niet te verwezenlijken. Vieregge was hierin eerlijk, dat moest iedereen hem achteraf nageven; hij beschouwde zichzelf als amateurdirigent. Toen hij ontdekte dat hij niet volledig aan de verwachtingen van het bestuur kon beantwoorden en er een vertrouwensbreuk dreigde, vroeg Vieregge middels een enquête steun bij de orkestleden zelf. Dat bleek een taxatiefout, zoals hij het achteraf zelf noemt, want die enquête werd een deceptie. Voor hem persoonlijk was het een tragisch afscheid. “Ik heb er lang mee gelopen”, zegt hij nu, na bijna twintig jaar. Toch was het een periode om met plezier aan terug te denken. Dat geldt voor de dirigent evenzeer als voor de musici. Er klinkt ook wel iets vertederends in menige herinnering: Felix met zijn grote slag (“als van een adelaar”, vond organist Cor van Wageningen) op luide toon smekend om een dubbel piano.

 

Volg ons

  |  

Overzicht website

  |  

Contact

  |  

Volg ons

  |  

Overzicht website

  |  

Contact

  |  

U bevindt zich hier:  >> Onze vereniging  >> Historie