Pierre van der Schaaf
1981-1997
Na de breuk met Felix Vieregge werd Pierre van der Schaaf de nieuwe man voor het NKO. Nico Hensems, concertmeester na Rome, had de dirigent aan het werk gezien en tipte het bestuur. Op 17 november voerden Jan Linssen, Jet Bensdorp en Ted Wijgers contractbesprekingen ten huize van Pierre in Tiel. Er waren enkele praktische problemen, zoals een noodzakelijke verplaatsing van de repetitieavonden van de maandag naar de woensdag, in de Lutherse kerk; dat zou evenwel tijdelijk zijn. Het was kort dag voor het Kerstconcert, het eerste o.l.v. Pierre. Voor wat het programma betreft nam hij een oude erfenis over: nogmaals delen uit Liszts Christus Oratorium, zeker niet een van zijn lievelingsstukken.
Pierre van der Schaaf had viool gestudeerd aan het Amsterdams Conservatorium en volgde directielessen bij Joop van Zon, en in het buitenland bij Guschlbauer en Ancerl. In 1969 behaalde hij de eerste prijs bij een dirigentenconcours in Sankt Moritz, waarna hij in heel wat West-Europese landen dirigeerde. Hier dirigeerde hij onder meer het Oostgelders Symfonieorkest (1970-1981) en het orkest van de landelijke FASO studieweekends (1985-1990). Tot halverwege de jaren ‘80 zou hij actief blijven als (alt)violist, zowel in orkesten als in kamermuziekensembles. Bij gelegenheid van zijn afscheid in 1997 herinnerde hij zich wel mogelijkheden om met beroepsorkesten te werken, vooral na zijn succes in 1969. Maar hij voelde zich thuis bij de amateurs en niet zonder trots kon hij verklaren dat zijn NKO toen inmiddels nauwelijks onderdeed voor sommige professionele orkesten van zo’n driekwart eeuw geleden.
Met Pierre van der Schaaf begon een nieuwe fase in de geschiedenis van het orkest. Pierre was een beroepsmusicus en zijn benoeming strookte met de lijnen die het bestuur had uitgezet, ook al was er wel aarzeling, bij Jet Bensdorp bijvoorbeeld. Was het aantrekken van zo iemand financieel wel haalbaar? Pierre van der Schaaf was niet alleen professioneel dirigent, hij was ook strijker met een grote praktijkervaring. Onder zijn leiding zou het orkest een grote stap voorwaarts zetten. Dat was ook uitdrukkelijk het beleid van zowel bestuur als dirigent. In deze eerste maanden vond een fundamentele discussie plaats over de koers van het orkest. Was het musiceren nu allereerst een sociaal proces van leuk samen muziek maken, of moest er gekoerst worden op kwaliteit? Uiteindelijk werd welbewust voor het laatste gekozen. Een aantal orkestleden, dat zich niet in deze doelstelling kon vinden, trok daaruit consequenties en vertrok.
Over de strijkersklank was Pierre van der Schaaf niet tevreden: te dik, te stevig vond hij, te Duits. Een pianissimo-streek met kantelende stok was men niet gewoon. Hij ging werken aan het niveau van de strijkersgroep, die bovendien zou worden uitgebreid. Altiste Ada Bloem is een van de weinige musici die onder alle dirigenten van het NKO heeft gespeeld. Vieregge noemt ze achteraf vooral een sociale, Van der Schaaf een muzikale vernieuwer. Hij was een musicus die het vóórdeed en dat was nieuw. Kleinlooh en Vieregge waren ieder op hun manier bevlogen muzikanten, maar konden de strijkersklank niet “kneden” omdat ze van streektechniek niet veel wisten. De kwaliteit van de strijkersgroep valt alleen door een professionele strijker te verbeteren en dat vergt veel inspanning en geduld Met blazers kun je als orkest geluk hebben. Een begenadigde fluitist waait binnen en geeft het orkest een bijzonder cachet. Blazers zijn allemaal een beetje solist. Strijkers bij voorkeur niet. Professionele groepstraining is voor hen een voorwaarde voor kwaliteit. Pierre was zo’n trainer. Bijzonder was dat hij het proces van niveauverhoging uit eigen ervaring kende. Op jonge leeftijd maakte hij al deel uit van amateurorkesten, vervolgens van het conservatoriumorkest en tenslotte speelde hij op beroepsniveau. Hij kende de weg die van het eerste naar het laatste niveau leidde. Terug naar de herinnering van Ada Bloem: “de verbetering van de strijkersklank, ja, dat hoorde je al na een paar maanden”. Bij zijn professionele kwaliteiten als dirigent kwam dan nog zijn amicaal karakter. Pierre lag goed bij de orkestleden. Deze twee factoren waren mede verantwoordelijk voor de bloeiperiode die het NKO nu zou meemaken.
Met de uitbreiding van de strijkersgroep kwam ook een breder repertoire binnen bereik. Daardoor werd het mogelijk om ook een grotere blazersgroep aan het orkest te binden. De weg naar een soort van semi-professionalisme werd ingeslagen. Dat bleek ook uit begeleidende verschijnselen. Er kwamen echte programmaboekjes met tekst over de te spelen werken. Ted Wijgers nam die taak op zich. En er kwam weer wit-zwarte concertkleding, hoewel daar tot op de dag van vandaag koppige uitzonderingen op worden gemaakt. Onder Pierre werd kortom een belangrijke stap gezet in het groeiproces naar een echt symfonieorkest. Illustratief is de reactie van de orkestleden bij de programmering van Schuberts 4e symfonie in november 1982, “een echte symfonie”. Zoiets hadden ze nog nooit gedaan. Strikt genomen was dat niet helemaal waar. Zelfs Kleinlooh had Saint Saëns’ tweede op de lessenaars gehad. Maar deze beleving is kenmerkend. Begrijpelijk is een discussie enkele jaren later, op een algemene ledenvergadering, over de vraag of het orkest nog wel een kamerorkest was en of niet over een naamsverandering moest worden gedacht.
Deze ontwikkelingen vergden een veel grotere organisatorische inspanning dan in het verleden gebruikelijk. Sterker, zonder bestuurlijk enthousiasme waren deze ontwikkelingen niet binnen bereik gekomen. Van der Schaaf kon het grote en avontuurlijke programma aan omdat het orkest er zat, inclusief alle noodzakelijke versterkingen in de vorm van hulp- en gastspelers. Het bestuur moest zorgen voor een semi-permanente arbeidsreserve die op afroep beschikbaar bleef, ook als deze enige tijd overbodig was. Voor Theo van de Laar was dit een permanente zorg. “Ik kon daar nachten van wakker liggen”, zegt hij na jaren voorzitterschap: afzeggingen op het laatste moment. Ooit had hij op één dag alle professionele contra-fagotisten van Nederland aan de lijn. Zo hoog was de nood. Maar het lukte telkens. Een gruwelijk voorbeeld uit de beginperiode van Van der Schaaf: voor het kerstconcert van 1983 in de St. Stevenskerk raakte een soliste ter hoogte van Zutphen betrokken bij een verkeersongeval, nota bene op weg naar het concert. Een vervangster moest onmiddellijk worden ingezet. En dat lukte. Joke de Vin wist ‘s morgens niet dat ze ‘s middags Vivaldi’s Gloria zou zingen. Dit was natuurlijk uitzonderlijk, maar in het algemeen gold dat het optrommelen van muzikanten (van slagwerkers o.a.) ook een zekere financiele armslag voor het bestuur noodzakelijk maakte. Wie de stukken van de bestuursvergaderingen doorleest, merkt dan ook dat sponsoring een veel voorkomend thema is. Uiteindelijk zou de Stichting Vrienden van het Nijmeegs Kamerorkest onder voorzitterschap van Maerten Verstegen het bestuur daarin structureel bijstaan. Maar dan hebben we inmiddels een flinke sprong in de tijd gemaakt, naar 1997.
Vanaf einde jaren ‘80 werd de geschiedenis van het NKO gekleurd door een aantal buitenlandse reizen. De eerste voerde naar Salzburg en die vond plaats in het drukke jaar 1988. Het orkest boekte toen een record van negen concerten. Op uitnodiging van de Städtische Singgemeinde Kleve werd de reis met maar liefst 140 personen ondernomen. In de Dom van Salzburg werden op 23 oktober o.l.v. Pierre van der Schaaf twee kerksonates van Mozart gespeeld. Vervolgens Beethovens mis in C o.l.v. Herbert Krey. Het was een bijzondere gebeurtenis, wellicht ook wel doordat er op organisatorisch gebied nogal wat mis ging. Er was onvoldoende overnachtingscapaciteit en er dreigde een grote chaos; voor aanvullende opvang moest worden bijbetaald. Dankzij enkele kunstgrepen, we citeren het jaarverslag, hoefde toch niemand in een verlaten berghut te overnachten. Wellicht waren deze tegenslagen ervoor verantwoordelijk dat orkest en dirigent enorm naar elkaar toegroeiden. Die saamhorigheid maakte die uitvoering van Mozart tot een muzikaal hoogtepunt. “Soms, op enkele momenten in je carrière maak je iets volmaakts mee”, herinnert Pierre van der Schaaf zich: “dat was zo onvoorstelbaar, ik was er kapot van.”
Een jaar later volgde een concert in Neuchâtel in het kader van een uitwisselingprogramma met het Ensemble Vocal dat in 1987 Nijmegen had bezocht. Henk van den Brink, toen directeur van de Nijmeegse muziekschool, was de verbindende schakel. Zelf trad hij als bas wel meer op met het orkest. Nu was hij solist in het Requiem van Fauré, o.l.v. de Zwitserse dirigent Pierre von Gunten. Het was op 6 mei een bijzonder concert, in Le Temple du Bas, een tot concertzaal verbouwde Hugenotenkerk. De samenwerking tussen koor en orkest en tussen de twee dirigenten was voorbeeldig. O.l.v. Van der Schaaf begeleidde het orkest Gé Bartman in het celloconcert van Dvorák. Niet alle buitenlandse concerten zouden veel publiek trekken. Nu wel: er waren 900 toehoorders. Het NKO had deze reis vol zelfvertrouwen kunnen ondernemen. Immers, de zesde symfonie van Van Dijk en het celloconcert van Dvorák hadden bij wijze van try-out in Tiel en in de “eigen” Vereeniging geklonken. De pers was buitengewoon lovend geweest. De benadering van Gé Bartman was een “schoolvoorbeeld van hoe het moet”. Het orkest leverde “klassewerk”. Zwitserse recensies bevat het archief niet. Wel sporen van enthousiasme van de orkestleden zelf. Alles had meegewerkt om de reis onvergetelijk te maken, van de Zwitserse gastvrijheid tot het stralende weer.
Het achtste lustrum stond inmiddels voor de deur en dat werd een ware happening. Voor deze gelegenheid had Pierre van der Schaaf Brahms’ eerste symfonie op de lessenaars laten zetten en dat was een van de grootst denkbare uitdagingen voor het orkest. Op deze symfonie is gedurende ongeveer een vol jaar gerepeteerd; nooit eerder stond een werk zo lang op het repetitieschema. “Een grote kluif “, noemde de recensent het, en “bij het luisteren hiernaar groeide allengs het respect...” De show werd evenwel gestolen door Wibi Soerjadi (“Onze Wibi”, zei Fons Plasschaert; hij trad in deze tijd veel op met het orkest) in het tweede pianoconcert van Saint Saëns.
Niet alleen in Vieregge’s tijd werd er gefeest, ook nu. Het lustrumfeest vond plaats in brouwerij De Raaf in Heumen. Bij die gelegenheid werd Frank Rademaker benoemd tot erelid. Hij was van het begin af aan lid, studeerde inmiddels twee à drie uuur per dag en zou tot kort voor zijn dood, in januari 1994, blijven meespelen. Er waren wel meer mensen van het eerste uur die het lang hebben volgehouden. Mies Meij, Alie Berntsen en Henk Klaren. Ook de beide cellisten Tecla Logger en Bep Arens. Niet alle senioren konden de gestegen ambities overigens volgen. Zo lezen we in de notulen van het bestuur op 25 februari 1987 dat violiste Alie Mooi, lid sinds 1951, “wegens doofheid in het vervolg alleen de lage partijen zal spelen.” De liefde voor de muziek moet groot zijn geweest en weinig beroepsorkesten kunnen op zulke coryfeeën bogen.
Inmiddels bleef het buitenland trekken. Wenen was het volgende doel. Tijdens de Wiener Festwoche van 1991, ook het Concertgebouworkest verbleef bij die gelegenheid in Wenen, speelde het orkest op 1 en 2 juni in Wenen en Neuberg. De formule was zeer succesvol: de organisatie was in handen van een goed koor ter plaatse. Dat zorgde voor veel publiek en voor goed onderdak. Het koor beschikte over een uitstekende dirigent, Robert Feichtinger, en zo werd de uitvoering van Mozarts Requiem, gespeeld in de Maria Geburtskirche waar Mozart zelf als 12-jarige zijn Waisenhausmesse had gedirigeerd, een bijzonder evenement. Het was voor veel orkestleden een emotionele ervaring om op één dag het manuscript van de laatste regels te aanschouwen en het werk zelf uit te voeren. O.l.v. Pierre stond verder de Haffnersymfonie op het programma.
Niet alle buitenlandse reizen waren muzikaal even succesvol. Een eendaags uitstapje naar Waregem, in 1992, was vooral een vermoeiende busreis. De reis naar Praag, een jaar later, stelde teleur. Tijdens beide trips stond Bruchs vioolconcert geprogrammeerd. De Tjechische solist, die in het geheel geen publiekstrekker bleek, “schakelde vanaf het begin zijn automatische piloot in”, zoals Ted Wijgers het in het jaarverslag formuleerde, en bij een herhaling van het concert in Cesky Crumlov “gunde de solist ons ook geen blik in zijn kunstenaarsziel.” In het Praagse Palac Kultury was de zaal nagenoeg leeg; aan publiciteit was niet gedacht en dat prikkelt natuurlijk ook niet erg. Afgezien hiervan was de Tjechische organisatie een janboel. Na een vertraagde aankomst waren de gereserveerde kamers alweer vergeven. Het was een chaos, alleen de sfeer bleef heel. Daartoe droeg de stad zelf natuurlijk bij.
De laatste reis in de periode Van der Schaaf leidde naar Parijs. Het initiatief ging uit van Oosterhouts koor Aurora o.l.v. Huub Bartz. Op het programma stonden het “gregoriaanse” Requiem van Duruflé en het Stabat Mater van Poulenc. Pierre dirigeerde Honnegers Pastorale d’été. Een prachtig programma, maar ook hier, in de St. Roch, hield de belangstelling niet over. Franse muziek lag het orkest overigens niet zo goed, althans dat vond Pierre achteraf. Het was moeilijk om een Franse klank te realiseren. Soms lukte dat, in Neuchâtel met Fauré, en nu ook hier met Poulenc.
Met de benoeming van Pierre van der Schaaf had het bestuur gemikt op kwaliteitsverhoging. Het bestuur wilde deze mede bewerkstelligen door groepsrepetities te stimuleren. Die bestonden al in Vieregge’s tijd. In het archief vinden we rond 1980 klachten over de geringe opkomst voor deze repetities. In 1987 werden groepsrepetities georganiseerd in de Technische School aan de Hatertseweg. Maar groepsrepetities o.l.v. de eigen aanvoerders vond men niet meer voldoende. In deze tijd wordt Gé Bartman voor het eerst genoemd als externe repetitor voor de celli. Dit soort initiatieven viel niet bij iedereen in goede aarde. Het kan ook niet anders of ambities leiden tot strubbelingen in een zo heterogene groep als een orkest. In 1994 werd de kwestie van de externe repetitoren voor de strijkersgroepen (de blazers hadden Arthur Mahler al lang) op de spits gedreven. Het bestuur wilde, blijkens de notulen van 26 januari, spijkers met koppen slaan, gesteund als het zich wist door een meerderheid van de leden (29 vóór, 9 tegen, 7 geen mening). Sommige aanvoerders voelden zich door de kwestie zelf of door de besluitvorming erover gepasseerd. Voor de aanvoerder van de alten, Wim Tholen, was dit, blijkens een brief van 31 augustus, reden voor vertrek. Het bestuur was wel tot uitstel, maar uiteindelijk niet tot afstel te bewegen. Als het om de kwaliteit ging, deinsde het niet terug voor de eerste hobbel. Een ander voorbeeld. Men vroeg zich af of “voorspelen” wel voldoende was. Op 6 januari 1988 werd in het bestuur gesproken over het bewaken van de continuïteit van de kwaliteit. Vragenderwijs werd over de mogelijkheid van een concilium abeundi gesproken.
De Kerstconcerten in de Stevenskerk vormden een traditie die tot op heden wordt voortgezet. In de jaren ‘90 volgde een poging een nieuwe traditie te vestigen: zomerconcerten in de open lucht. Naar het voorbeeld van de Prinsengrachtconcerten in Amsterdam ontstond in Nijmegen het plan voor Waalconcerten aan de Waalkade. Het initiatief ging uit van pianohandel Van Oosterom, in samenwerking met café Vivaldi’s. Ieder zijn belang dus. Op 25 mei 1991 zou het eerste concert plaatsvinden. Het was gratis toegankelijk en de bedoeling was uitdrukkelijk om drempels te slechten en “klassiek” toegankelijk te maken. Het NKO zou Mozarts Haffner symfonie spelen en Wibi Soerjadi begeleiden in het tweede pianoconcert van Saint-Saëns. Dit concert viel echter letterlijk in het water en een traditie zou vooralnog niet gevestigd worden. Enkele jaren later kwam het idee terug, nu in de vorm van openluchtconcerten in het Valkhof, ook gratis toegankelijk. Die traditie lijkt inmiddels gevestigd en tot op heden werd het orkest drie keer uitgenodigd. Grote belangstelling telkens, hoewel de weersomstandigheden tijdens het eerste concert, op 5 juli 1996 erbarmelijk waren.
Vooral in de loop van de jaren ‘80 was het orkest gegroeid. In 1979 betaalde het aan de overkoepelende FASO contributie voor 30 leden. Dat getal steeg tot 45 in 1986. Wat ook steeg waren de kosten die aan het concerteren waren verbonden. Een jaarbegroting die onder de fl.4.000 bleef memoreerden we reeds voor de jaren ‘60. In 1979 bedroeg de exploitatierekening al fl. 13.968,- In de loop van de jaren ‘90 zou die stijgen tot boven de fl. 50.000,- Zaalhuur bijvoorbeeld steeg behoorlijk. In 1984 kostte de Stevenskerk al fl.1.000,- De Vereeniging, steeds meer de thuisbasis van het orkest, kostte in 1993 fl. 6.500,- voor een concert. Dat alles moest uit inkomsten worden betaald. Het bestuur profileerde het orkest als semi-professioneel en nam “de uitdaging aan om in het gat in de markt te springen, dat is ontstaan in het Nederlandse orkestenbestel”. Dat was misschien een beetje pretentieus, maar er moest verdiend worden. Vandaar verschillende modellen van programma-aanbod, voorzien van uitkoopsom-indicaties. En er waren inkomsten. Een concert voor een congres van medisch specialisten leverde in 1992 fl. 6.000,- op. Een orkest moet bestáán om muziek te kunnen maken. Paul Lucas knoopte de eindjes aan elkaar. In 1992 nam het NKO vijf minuten muziek op voor een ACS demonstratiebandje; inkomsten vijftienhonderd gulden!
Bijzonder in dit tijdvak waren de Nederlandse composties die voor het orkest werden geschreven, zoals Jan van Dijks zesde symfonie, door de pers welwillend beoordeeld. Zijn achtste symfonie werd overigens van het programma gehaald. Veel welwillendheid was er ook niet voor het Air van Alex Manassen; dat stond vier maal geprogrammeerd en de meeste orkestleden vonden dit zelf wel genoeg. Een van onze recensenten vond het maar “muzikale onzin”. “Het moet maar snel in de open haard verdwijnen, dan levert het nog warmte op,” schreef Benno Brugmans vals. Bernard van Beurden schreef twee werken voor het NKO. Allereerst het Hellas Concerto met vioolsolo, gebaseerd op een ouder stuk. Fons Plasschaert speelde dat o.a. in Praag. Vervolgens schreef hij zijn Concertino voor het negende lustrum, opgedragen aan Pierre van der Schaaf (zijn naam S(Es) C H A A F is erin verwerkt). Tijdens een van de repetities kwam de componist het werk dirigeren om zijn bedoelingen te illustreren. Bij het mooie middendeel, gregoriaans geïnspireerd, sprak hij emotioneel schande van degenen die verantwoordelijk waren voor het verdwijnen van het gregoriaans uit de eredienst. Voor Pierre van der Schaaf behoorden de concerten met het werk van Van Beurden tot de hoogtepunten uit zijn dirigentenbestaan.
Er waren meer hoogtepunten, steeds méér naarmate Van der Schaaf er langer over nadenkt. Dat karakteriseert zijn herinnering aan een dierbare tijd. Heel bijzonder waren de Mozartconcerten in Beek, met dat prachtige orgel. Met Mozart had Pierre iets. Het wekt geen verbazing dat Mozart in deze jaren veruit de meest gespeelde componist was. Een kwart was van zijn hand. Bijzonder ook was het Hendrik Andriessen-project in 1992. Bij zijn afscheid in 1997 sprak hij over zijn affiniteit met Andriessen. Pierre had het ontstaan van diens vioolconcert van dichtbij meegemaakt. Dat was voor hem een gebeurtenis van de eerste orde. Voor hem is Andriessen een groot componist; de Kuhnau-variaties, die zo dikwijls op de lessenaars van het NKO hebben gestaan, vindt hij in hun soort onovertroffen. Als het om hoogtepunten gaat in de beleving van de dirigent komen ook de concerten in aanmerking door solisten uit eigen gelederen. Zonder anderen te kort te willen doen springen er dan twee optredens uit: Fons Plasschaert met het Hellas Concerto en Wil Roozeman met de Pastorale van Ben Chaïm. Dat waren grote uitdagingen, “ze moesten er wel echt inklauteren.” Zo noemde hij dat.
Halverwege de jaren 90 werd voor alle betrokkenen wel duidelijk dat de verbintenis met de dirigent niet veel langer zou duren. Dirigeren is meer dan muziek maken. Dirigeren is met mensen omgaan en rekening houden met velerlei gevoeligheden. De onderlinge verhoudingen in een orkest wijken ook wel erg af van wat in de maatschappij als normaal geldt. Pierre zag zichzelf soms als de enige werknemer tegenover 50 werkgevers en dat vermoeit nogal. Het kwam voor dat hij zich voelde als “een vlo tussen twee nagels” als anderen niet samen door één deur konden. En dat soort dingen kwam voor, in iedere fase van het orkestenbestaan. Toch bleef Pierre van de Schaaf veel langer dan hij aanvankelijk had vermoed. Het moment van vertrek werd overigens afgedwongen door iets van andere orde: een op zichzelf niet ernstige, maar voor een musicus buitengewoon ellendige gewrichtsaandoening. Iedere repetitie moest hij uiteindelijk met pijn bekopen. Zijn laatste concert stelde hij zelf samen (alle vorige eigenlijk ook): de Kuhnauvariaties van Andriessen natuurlijk, het vioolconcert van Mendelssohn, “onvergetelijk qua schoonheid en een stuk dat ik zelf graag speelde”, en tenslotte de laatste symfonie van Schubert, een stuk dat het uiterste van musici vergt, een stuk dat 150 jaar geleden voor veel orkesten als nauwelijks speelbaar gold. Pierre van der Schaaf had zeer bewust naar dat laatste concert toegeleefd en de orkestleden hebben dat tijdens de repetities ondervonden. Hij stond begeesterd te dirigeren, in het besef dat hij aan de grens stond van wat hij met dit orkest bereiken kon. Pierre van der Schaaf was een gevat dirigent, met gevoel voor humor. Kritisch maar niet genadeloos. Hij kon wel mopperen, op de celli bijvoorbeeld. Maar karakteristiek voor zijn pragmatisme was het volgende: “als ik niets zeg, dan is het goed......of onherstelbaar.” In de grond had hij een hoge dunk van amateurmusici. Want ook al misten ze professionele training, muzikaal hoeven ze niet voor beroepsmusici onder te doen: “je moet ze als volwaardige muzikanten beschouwen.”
| Volg ons | Overzicht website| Contact| |
|



