Simon Kleinlooh
1950-1973
In 1985, ter gelegenheid van het zevende lustrum van het NKO, werd de voormalige dirigent Simon Kleinlooh geinterviewd door Ted Wijgers, destijds al een van de langst zittende leden van het orkest. De informatie die uit dat gesprek voortkwam is nog altijd de ware bron voor onze kennis van de beginjaren. Het was Arnold Martens, toenmalig directeur van de Nijmeegse muziekschool, die de stimulans had gegeven voor de formatie van een groep van 12 strijkers. Het waren gevorderde amateurs, gemiddeld ongeveer even oud als de eerste dirigent Kleinlooh, namelijk 40. Het was de bedoeling dat deze groep koren zou begeleiden. Kleinlooh was cantor en organist van de Grote kerk in Elst. Het eerste concert met het Bach-koor van Piet Versloot vond plaats op 31 augustus 1950 in de aula van het Canisiuscollege aan de Berg en Dalseweg. Bachs cantate Wachet auf, ruft uns die Stimme werd uitgevoerd met Jo Kleinlooh als sopraansoliste. Het Nijmeegs Kamerorkest (NKO) was geboren. Kleinlooh zou 23 jaar voor het ensemble staan. Een man van allure met een fijne smaak voor zijn “eigen” orkest. Kleinlooh wàs het NKO in die jaren.
Simon Johannes Kleinlooh (1910-1996) volgde vanaf zijn 19de jaar een opleiding tot organist, die hij, vertraagd door zijn belastingstudie, pas na de oorlog afrondde. Vanaf 1950 studeerde hij ook orkestdirectie bij Jan Out, dirigent van Het Gelders Orkest. Op verschillende wijzen was hij actief in de muziekwereld: al in 1929 werd hij organist van de Lutherse kerk in Nijmegen, een functie die hij tot 1960 zou bekleden. Van 1960 tot 1979 was hij ook organist van de Hervormde kerk in Elst, en bovendien leider van het kerkkoor. Vandaar dat het NKO gedurende de eerste decennia iets hàd met Elst. Als orgelsolist trad hij regelmatig op, ook buiten de regio en voor de omroep. Zijn curriculum vitae bevat grote namen, vooral van solisten die hij met zijn ensemble had begeleid, zoals Hermann Schey, Erna Spoorenberg, Jaap Stotijn, Emmy Verhey en daar leek hij niet weinig trots op. Ooit had hij stage gelopen bij het Residentieorkest o.l.v. Rafael Kubelik. Desondanks was Kleinlooh belastingambtenaar van professie, van 1927 als “particuliere klerk” tot 1971 als “commies secretaris”. Maar Jan Out had de ambities van zijn leerling goed gepeild en hem ervan overtuigd dat het oprichten van een orkest de weg effende voor Kleinlooh’s bestaan als dirigent.
Martens’ recensie van het eerste concert in De Gelderlander verwees verwachtingsvol naar de toekomst: “...voor het orkest hopen we dat deze kern een blijvende is, en -nog liever- uitgroeit tot het kamerorkest waarvan ons stedelijk muziekleven onnoemelijk zou kunnen profiteren.” Die hoop ging in vervulling. De eerste inkomsten van het orkest waren het gevolg van dienstverlening. In het kleine kasboek, toevallig bewaard gebleven, werd fl. 158,60 genoteerd voor een begeleiding van een zangkoor in Oosterbeek. Na enkele jaren uitsluitend als begeleidingsorkest met koren te zijn opgetreden, bv. het PTT mannenkoor, dirigeerde Kleinlooh in 1954 zijn eerste zelfstandige concert met een volledig programma. Dat programma opende met Mozarts Les Petits Riens, en dat getuigde van gezonde zelfspot, zoals Jozef Lafleur later zei bij Kleinlooh’s afscheid. Dit concert werd het begin van een jaarlijkse traditie, aanvankelijk in de kleine zaal van De Vereeniging, vervolgens in de foyer van de Schouwburg en in de jaren ‘70 in de aula van De Lindenberg. De dirigent was een bevlogen man, capabel maar vooral ook ambitieus, en het orkest musiceerde serieus en op een behoorlijk niveau. De musici waren in de eerste jaren vooral van protestants-christelijke huize (de band met de eredienst was hecht, ook muzikaal) maar tegen het einde van de jaren ‘50 dienden zich jongeren aan, dikwijls katholiek, die in het Nijmeegs studentenorkest ervaring hadden opgedaan. Blazers werden ad hoc gerecruteerd, soms uit de Koninklijke Luchtmachtkapel.
Natuurlijk was het orkest in de beginjaren bescheiden van formaat. De grote groei zou later volgen. In 1966 waren er 25 contributiebetalende leden. De repetitieruimte liet trouwens niet meer leden toe. Het was behelpen. Men moest het doen met een zaal in de muziekschool die toen nog gevestigd was in de Van Welderenstraat. In de pauze was er geen koffie te krijgen. Maar het was er ook koud (er werd niet gestookt) en vochtig. In 1967 week het orkest uit naar de Remonstrantse kerk in de Prof. Regoutstraat; een verbetering was het nauwelijks, maar het kostte ook slechts fl. 20,- per avond. Toen De Lindenberg in gebruik kwam, begin jaren ‘70, repeteerde het NKO in de foyer, d.w.z. in de “gortdroge activiteitenkelder”. Ook nu was de ontevredenheid groot, want geluidsoverlast van slagwerklessen in een belendend lokaal was natuurlijk bijzonder hinderlijk. In deze jaren moest het NKO concurreren met het grotere studentenorkest, dat ook op maandagavond repeteerde maar in de grote zaal, momenteel de vaste repetitieruimte van het kamerorkest. Het archief laat een aanhoudende animositeit zien tussen beide orkesten om het verwerven van adekwate repetitieruimte. Veel te lang bleven beide orkesten aangewezen op hetzelfde gebouw. Soms kon er geruild worden en dan volgde een geldelijke schikking van enkele guldens.
Het NKO was en is een amateurorkest. Liefde voor muziek ging gepaard aan een aanstekelijk amateurisme. Dat valt op verschillende manieren te illustreren, zowel op muzikaal als op bestuurlijk gebied. Toen het orkest de behoefte ging voelen aan eigen blazers was een altviolist bereid om fagot te gaan spelen. Dat kostte de huur van een instrument plus een aantal muzieklessen. Het bestuur schreef de gemeente een brief met het verzoek om een deel van de kosten te betalen. Het ging om fl. 300,- op jaarbasis. “De duur der opleiding is te stellen op twee jaren”, schreef de toenmalige penningmeester P. van der Sterren. Dat bleek geen probleem. Een ander verzoek in 1965 betrof de aanschaf van een schrijfmachine voor de nieuwe secretaris, Mies Mey. “Wij kunnen een zo goed als nieuwe kleine Remington machine overnemen tegen de prijs van fl. 150,- , zijnde de helft van de nieuw-prijs”. Kleinschaligheid in optima forma. De jaarlijkse begroting bleef toen ook nog onder de fl. 4.000,-
Kleinlooh werd, dat blijkt achteraf uit het oordeel van alle betrokkenen, buitengewoon gewaardeerd vanwege zijn programmering. Van het grote romantische repertoire bleef hij af, althans als regel. Hij had er het orkest ook niet naar. Zeker in de beginfase overwoog de barok, vaak gewijde werken. Maar ook 20ste eeuwse muziek had zijn belangstelling. Hij was voortdurend in de weer op zoek naar speelbare nieuwe muziek. Hij was overigens niet de enige. De altist Frank Rademaker, de eerste voorzitter van het bestuur en in het orkest een welwillende kopiïst, had dezelfde speurzin. Voor wie krantenrecensies doorbladert levert dat een rijk geschakeerde hoeveelheid moderne muziek op. Hindemith’s Spielmusik op. 43, nr. 1, Brittens Simple Symphony, de Rapsodie voor piano en orkest van Turina, de Symfonietta van Malcolm Arnold. Van lef getuigt de programmering van Charles Ives Unanswered Question. Hierin hebben de blazersgroep en de strijkers min of meer uitgeschreven partijen, maar de samenwerking tussen de ver uit elkaar geplaatste groepen wordt geheel aan de dirigent overgelaten. “We hebben er wat bij afgelachen”, herinnert de voormalige voorzitter Hans van Swaay zich.
Ook Nederlands werk zoals Andriessens Kuhnau-variaties (dat telkens opnieuw werd geprogrammeerd, later ook onder Pierre van der Schaaf), het Dubbelvioolconcert van Geza Frid en diens Serenade voor kamerorkest, de Symfonietta van Wouter Paap, het Fluitconcert van Adriaan Bonsel, het Orgelconcert van Anton van der Horst en het Divertimento van Hans Osieck stonden op het programma. Hij gaf ook onbekenden een kans, zoals Robert van Deinse die zijn eigen Concertino voor piano speelde. Het zijn maar enkele, sprekende voorbeelden.
Kleinlooh was soms origineel, bijvoorbeeld toen hij een voor het grotere publiek minder bekend werk tweemaal speelde op één concert. Dat was Strawinsky’s Suite nr. 1. Hij dirigeerde ook werk van eigen hand, zoals op 7 december 1963 de volksliederen voor koor en orkest. In 1971 werd door de IKOR een opname gemaakt van een compositie van Kleinlooh voor zang, dansmeisjes, gehuld in rode jurken, blazers en strijkers in de kerk van Elst. Corrie Wijffels herinnert zich dat ze al spelend door de kerk moest lopen met de dansgroep achter haar aan. Ongemakkelijk natuurlijk, maar wel een happening “met veel gedoe”.
Wat Kleinlooh heeft gepresteerd met “zijn” orkest was respectabel. Bij zijn afscheid kwam de toenmalige voorzitter, Jozef Lafleur, zeer wel beslagen ten ijs. Hij had al bladerend in oude programma’s en kranten een berekening gemaakt van het aantal concerten in die 23 jaar. Naast begeleidingen moeten het er méér dan honderd zijn geweest. Daaronder waren zeer bijzondere concerten. Kleinlooh herinnert zich zelf, in het interview met Ted Wijgers, als hoogtepunt het concert in 1970 bij de opening van de orgeldagen in de grote Eusebiuskerk in Arnhem, waar het orgelconcert van Anton van der Horst gespeeld werd met Johan van Dommele als solist. Daarbij waren prinses Beatrix en prins Claus aanwezig. Een concert overigens, dat verstoord dreigde te worden door lawaaierige demonstranten. Een ander hoogtepunt was het lustrumconcert waarvan in de stukken voor het eerst melding wordt gemaakt, namelijk het derde in 1965. Op zondag 21 november in de foyer van de Schouwburg soleerden twee Nijmegenaren: Anne-Marie Lecomte in het pianoconcert van Dittersdorf en Diederik Walraven in het fluitconcert van Bonsel. Toegangsprijs voor dit lustrumconcert was fl. 2.50! In diezelfde tijd vond in de grote kerk van Elst een bijzonder concert plaats met de toen piepjonge Emmy Verhey (Haydn, Lekeu). Vermelding verdient ook de eerste buitenlandse reis (er zouden er veel volgen) van het NKO. Die voerde in de warme zomer van 1966 naar Nordheim (BRD). Het was een aardige reis die voor de nodige anecdotes zorgde. Frappant was het losbarsten van een enorm onweer juist op het moment dat het orkest Von Baussnern’s
Die Furcht des Herrn inzette.
Een aardig trekje van Kleinlooh noemt Van Swaay de kansen die hij gaf aan lokale solisten, zoals Lecomte en mensen uit eigen kring zoals Walraven. Hans Meijer, Dorith Preyde, Folly Colette-de Vries, Jos Schaepman en Jo Kleinlooh en niet te vergeten Jacques Hendriks waren Nijmeegse solisten. Hans van Swaay, Marinus van Schaijck en Wil Roozeman (toen nog Willy) en Leo van de Camp waren solisten uit het orkest zelf. Al in 1959 vond een concert plaats waarop in vijf programmaonderdelen eigen mensen soleerden! Heel bijzonder.
Een kostbare traditie die tijdens Kleinlooh’s nadagen werd gevestigd waren de kerstconcerten in de St. Stevenskerk, voor het eerst op de 2e kerstdag van 1970. Kerstconcerten waren er natuurlijk al veel langer, bijvoorbeeld in het Luxor-theater (gratis, alleen het programma kostte 20 cent), maar de entourage van deze kerk gaf de concerten extra glans. Dat deze traditie kon ontstaan is waarschijnlijk voor een flink deel te danken geweest aan de violist Henk Klaren, orkestlid van het eerste uur, die er diaken was.
Een amateurgezelschap als het NKO heeft een organisatie nodig, bestuur en huishoudelijke reglementen. Onder Kleinlooh was dat er nauwelijks. Pas Van Swaay en vooral Laurent Mostart zouden daar later voor zorgen. Frank Rademaker sr. fungeerde als een soort voorzitter. Er werd inderdaad vergaderd, bij hem thuis of bij Alie Berntsen, die tot op hoge leeftijd dagelijks viool studeerde (eigenlijk moeten we spreken over dokter Rademaker en juffrouw Berntsen, want zo was de sfeer). Rademaker was zeer ondernemend. Hij kwam met voorstellen voor nieuwe programma’s (die naar eigen zeggen nooit werden gehonoreerd!), nam muziek op om anderen te laten horen. Kleinlooh deed evenwel het merendeel zelf. Hij bepaalde uiteindelijk alles, hij zat nota bene ook zelf in het bestuur. Zoals gezegd Kleinlooh wàs het orkest. Hij was er dag en nacht mee bezig, engageerde de solisten enzovoort. Theo van de Laar had daar goed zicht op. Dat kwam door een van die merkwaardige toevalligheden die in de geschiedenis van het orkest zo’n grote rol hebben gespeeld. De huidige voorzitter en de eerste dirigent ontmoetten elkaar in 1965. De eerste zocht een kamer en selecteerde zo op het oog huizen die hem geschikt voorkwamen. Lukraak belde hij dan aan, zo ook op Groesbeekseweg 1. Daar woonde een zekere Kleinlooh en weldra dus ook Theo. De eerste de beste avond begon de laatste trompet te studeren. “Maar meneer”, zo werd hij onderbroken, “.....was dit wel afgesproken?” Natuurlijk werd wel zijn lidmaatschap van het NKO snel bezegeld.
Niemand behoefde zich te schamen voor het niveau waarop Kleinlooh zich met zijn orkest bewoog. Dat neemt niet weg dat er wel eens wat falikant mis ging. Een voorbeeld van een rampzalige misser kan worden ontleend aan de herinneringen van concertmeester Hans van Swaay; het verhaal tekent zowel hem als de dirigent. Corelli’s Kerstconcert stond op het programma. Van Swaay had door omstandigheden zijn bladmuziek onvoldoende geïnspecteerd. We laten hem zelf aan het woord: “daar was de dirigent al en hij begon meteen te slaan. Om een of andere reden had ik een eigen lessenaar, waarschijnlijk omdat we niet teveel licht hadden en dus dicht op de noten wilden zitten. Vanaf de inzet keek mijn geliefde dirigent opmerkelijk vuil naar me. Na een tijdje begon hij zelfs noten te sissen, waarbij zijn kleur leek te veranderen. Ik had inmiddels begrepen wat er mis was. Men had de concertmeester per vergissing een tweede vioolpartij voor de neus gezet. Dat valt op het eerste gezicht nauwelijks op. Die barokke muziek ziet er heel regelmatig uit. Ik kon weinig anders doen dan gewoon die noten spelen, die tenslotte ook in de compositie thuis hoorden, maar was er niet in geoefend de paniekerige stalmeester duidelijk te maken dat er nog hoop bestond. Na het eerste stukkie is hij op het nippertje aan een dreigende toeval ontsnapt na mijn explicatie.” Achteraf kon om dit soort dingen meestal gelachen worden.
Kleinlooh wilde veel en het zal hem pijn gedaan hebben als het resultaat ver achterbleef bij zijn ideaal. Jozef Lafleur herinnert zich hoe er ooit geld ontbrak om voor het Weihnachtsoratorium een paukenist in te huren. De niet onbelangrijke partij werd toen maar door Tjalling Heilbron op zijn contrabas gespeeld. Dit vond hij wel erg amateuristisch, in de slechte zin van het woord. Corrie Wijffels herinnert zich het voorval: het was haar eerste concert en ze wist warempel niet wat ze hoorde. Trouwens, over eigen pauken zou het orkest pas in de tweede helft van de jaren ‘70 beschikken.
We zeiden het al, Simon Kleinlooh was een bevlogen man. Maar hij was ook kwetsbaar, misschien omdat hij teveel wilde. Het werken met goedwillende amateurmusici is voor hem soms frustrerend geweest. Niet voor niets zei Jozef Lafleur bij zijn afscheid: “hoeveel plezier heeft U er niet aan beleefd, en hoeveel ergernis?” Hij was muzikaal, had duidelijk een eigen stijl en wist wat hij wilde. In de gegeven omstandigheid veroorzaakte dat spanning, veel spanning. Leo van de Camp die met sympathie aan Kleinlooh terugdenkt, herinnert zich wel hoe ongemakkelijk hij zich als solist voelde bij zoveel nervositeit van de dirigent. Het verschieten van kleur bij grote opwinding was voor de orkestleden een vertrouwd beeld. Ze zaten daardoor soms met kromme tenen te spelen. “Het regende zweetdruppels, vooral onder de lessenaar van de dirigent”, zegt Ted Wijgers. Alle betrokkenen herinneren zich dit ongemak. Dat nam niet weg dat de balans positief was. Celliste Tecla Logger noemde Kleinlooh in een interview “een klassedirigent en iemand die je kon inspireren”. Ondanks de spanning heeft Hans van Swaay bijna negen jaar met genoegen onder Kleinlooh gespeeld. Toch was Van Swaay degene die vond dat het orkest onderhand toe was aan een andere dirigent. Iedereen bleek het daar wel mee eens. Tot een conflict leidde dat niet en het werd een afscheid met allure. Op 18 mei 1973 vond het afscheidsconcert plaats in De Lindenberg met een typisch uitgebalanceerd Kleinlooh-programma: Bach, Schumann, Strawinsky, Andriessen en Beethovens eerste symfonie. Over dit laatste zei hij privé: “eigenlijk moet je met een amateurgezelschap je vingers daarvan afhouden.” Dus toch bescheiden? Zeker. Tegen het einde van deze periode werd Kleinlooh wat afstandelijker en leerde hij relativeren.
De zaal was vol en hij kreeg waar hij recht op had: een ovationeel applaus èn het ere-lidmaatschap van “zijn” orkest.
| Volg ons | Overzicht website| Contact| |
|